
Jurisprudentie
AT4513
Datum uitspraak2005-03-31
Datum gepubliceerd2005-04-22
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/399 WUV
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2005-04-22
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/399 WUV
Statusgepubliceerd
Indicatie
Verweerster heeft onder herroeping van haar primaire besluit bij het thans bestreden besluit de aanvraag van eiseres op grond van de WUV gehonoreerd. Bij het bestreden besluit is geweigerd de door eiseres in verband met de behandeling van haar bezwaar gemaakte kosten te vergoeden.
Uitspraak
04/399 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 17 december 2003, kenmerk JZ/B70y/2003/1006, heeft verweerster ten aanzien van eiseres uitvoering gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.
Namens eiseres is tegen dit besluit beroep ingesteld door mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen. In het beroepschrift is aangegeven waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 februari 2005. Aldaar is eiseres verschenen bij gemachtigde
mr. Van Berkel voornoemd en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 9 augustus 1979 van verweersters rechtsvoorganger, de Uitkeringsraad, is eiseres erkend als vervolgde in de zin van de Wet. Bij schrijven van 6 december 2001 is namens eiseres een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering alsmede diverse voorzieningen. Deze aanvraag is voor verweerster aanleiding geweest eiseres te doen onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek door de arts A.M. Ohlenschlager, die op basis van bij dit onderzoek verkregen gegevens en informatie uit de behandelende sector heeft geoordeeld dat - voor zover hier van belang - de bij eiseres bestaande psychische klachten niet met de vervolging in verband staan maar duidelijk uit andere oorzaken zijn ontstaan.
Bij besluit van 25 oktober 2002 heeft verweerster de aanvraag van eiseres afgewezen op de grond dat er bij haar geen ziekten of gebreken aanwezig zijn die voortvloeien uit de vervolging. Naar aanleiding van het namens eiseres tegen dit besluit gemaakte bezwaar met als bijlage een brief van K.M.E. Hermans, verbonden aan Psycho-medisch centrum Parnassia, heeft verweerster haar doen onderzoeken door H.S.R. Witte, psychiater te Amersfoort, die heeft geconcludeerd dat er bij eiseres sprake is van een als causale ziekte aan te merken PTSS, vermengd met borderlineproblematiek. Op basis van dit onderzoek heeft verweersters geneeskundig adviseur het standpunt ingenomen dat het geheel van de bij eiseres bestaande psychische klachten moet worden toegeschreven aan de vervolging. In navolging van het standpunt van deze geneeskundig adviseur heeft verweerster bij het thans bestreden besluit aanvaard dat de bij eiseres aanwezige psychische klachten met de vervolging in verband staan en aan haar een periodieke uitkering toegekend alsmede vergoeding van kosten van huishoudelijke hulp en sociaal vervoer, alsmede een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer. Een namens eiseres gevraagde vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand heeft verweerster afgewezen op de grond dat het besluit van 25 oktober 2002 niet is herroepen wegens aan verweerster te wijten onrechtmatigheid, maar in verband met een nieuw gegeven, te weten de brief van
K.M.E. Hermans voornoemd.
Eiseres kan zich niet verenigen met verweersters weigering aan haar de in verband met het bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand te vergoeden.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover hier van belang, worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan vergoed, voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
Verweerster heeft naar voren doen brengen dat in het onderhavige geval geen sprake is van een herroeping van het primaire besluit wegens een aan verweerster te wijten onrechtmatigheid, aangezien het primaire besluit is herroepen op grond van de eerst in bezwaar ingebrachte brief van K.M.E. Hermans.
De Raad kan verweerster in deze opvatting niet volgen. De Raad heeft daarbij in overweging genomen dat verweerster haar primaire besluit heeft gebaseerd op bij eiseres verricht medisch onderzoek door de arts A.M. Ohlenschlager. Uit het door deze arts uitgebrachte rapport komt naar voren dat bij eiseres sprake is van zeer gecompliceerde psychische problematiek en voorts dat het onderzoek heeft plaats gevonden in een gespannen sfeer, die ook niet in de loop ervan is veranderd. Deze omstandigheden hadden voor verweerster naar het oordeel van de Raad aanleiding moeten zijn eiseres te onderwerpen aan psychiatrisch onderzoek in de primaire fase van de besluitvorming. Reeds gelet hierop is de Raad van oordeel dat het primaire besluit is herroepen wegens aan verweerster te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Het namens eiseres ingestelde beroep treft derhalve doel.
Aangezien aan de overige voorwaarden voor toepassing van artikel 7:15 van de Awb is voldaan, zal de Raad verweerster op grond van artikel 8:75, eerste lid, juncto artikel 7:15, tweede lid, van de Awb veroordelen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met het instellen van bezwaar ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, ten bedrage van € 644,-. De Raad zal verweerster voorts veroordelen in de proceskosten van eiseres in verband met de behandeling van haar beroep tot een bedrag van € 644,- voor verleende rechtsbijstand.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit voorzover betrekking hebbend op de kosten van de behandeling van het bezwaar;
Veroordeelt verweerster in de door eiseres in verband met de behandeling van haar bezwaar gemaakte kosten tot een bedrag van € 644,- alsmede in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad;
Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 27,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling- Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Dissel-Singhal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2005.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) A.D. van Dissel-Singhal.

